 |
|
 Gerhard Hormann sprak onlangs met Bernhard Hennen, auteur van De Elfen-reeks, over zijn boeken, zijn succes en zijn schrijversschap.
In hoeveel landen zijn je boeken inmiddels uit? 'Even nadenken: in Nederland, Spanje, Italië, Frankrijk, Tsjechië en de Oekraïne. En er lopen onderhandelingen met China, Japan en Groot-Brittannië. Gemiddeld genomen komen er elk jaar twee nieuwe landen bij. Maar Nederland is, na Duitsland, nog altijd het bestverkopende land. Ik geloof dat er hier inmiddels zo'n 80.000 exemplaren zijn verkocht.'
Het succes is een soort sneeuwbaleffect? 'Zo kun je het wel noemen. Persoonlijk heeft dat enorme succes me ook compleet overvallen. In het begin van mijn loopbaan als schrijver was het altijd zo dat ik er net van kon rondkomen en soms ook net niet. Toen mijn dochter geboren werd, stond ik zo rood dat ik van mijn allerlaatste geld nog net één pak luiers kon kopen. Nu praat je natuurlijk over een heel andere situatie, maar het zit nog vers in mijn geheugen. In dit vak moet je, naast talent, ook een beetje geluk hebben. Mijn vader vond het vreselijk dat ik schrijver wilde worden, omdat dat voor hem synoniem was aan armoede. Journalist vond hij dan net iets beter klinken. Maar mijn geluk is geweest dat ik precies op het juiste moment met het juiste boek kwam.'
Klopt het dat je destijds In De Ban van de Ring hebt gelezen op aanraden van je gymleraar? 'Ja. Ik was een jaar of veertien en niet heel erg goed in gymnastiek Die gymleraar wist dat ik van boeken hield en hij zei dat ik dat absoluut moest lezen. Hij heeft me zelfs zijn eigen exemplaar uitgeleend. In het begin pakte het verhaal me niet meteen, want het komt langzaam op gang. Maar na afloop was ik zo enthousiast dat ik ook op zoek ging naar De Hobbit en Silmarillion. Dat was, zoals bij zoveel mensen, mijn eerste kennismaking met fantasy.'
Hoe vaak heb je het herlezen? 'Ik weet dat er mensen zijn die In De Ban van de Ring meer dan twintig keer herlezen hebben, maar ik heb het in totaal slechts twee keer gelezen. Er zijn sindsdien schrijvers bij gekomen die ik veel beter vind: David Gemmell, die helaas overleden is, en George R. R. Martin. Als je een boek van die laatste leest, weet je zeker dat hij minstens één ongeschreven wet uit de literatuur overtreedt. Dingen waarbij je als lezer denkt: nee, dat méént hij niet. Maar dan laat hij dat kind juist wel doodgaan. Alleen jammer dat hij er steeds langer over doet om met een nieuw boek te komen.'
Heb je die sportleraar ooit bedankt? 'Ja! Toevallig heb ik hem een jaar geleden weer ontmoet en toen heb ik hem dat hele verhaal uit de doeken gedaan. Hij had in de krant al gelezen dat ik schrijver was geworden, maar hij had geen idee dat hij zo'n beslissende factor was geweest. Dat is toch het beste wat je als leraar kunt hopen, al had hij misschien nog liever gehad dat ik de Olympische Spelen had gewonnen.'
Wist je toen, op je veertiende, al dat je schrijver wilde worden of was dat een lange weg? 'Dat was een heel lange weg, met heel veel omwegen en zijpaden. Als kind was ik vastbesloten archeoloog te worden en ik ben later ook archeologie gaan studeren. Rond mijn veertiende begon ik het belang van geld in te zien, en toen heb ik even een fase gehad waarin tandarts me wel een mooi beroep leek. Maar op mijn zestiende was dat voorbij en wilde ik nog maar één ding: kunstenaar worden. Ik kon aardig schilderen en heb toen ook een soort snuffelstage gedaan op de kunstacademie. Dat was heel ontnuchterend. Ik had een zeer romantisch beeld van die opleiding, maar het was juist heel zakelijk met heel veel haat en nijd tussen de bijna afgestudeerde studenten. Toen kwam archeologie weer om de hoek kijken.'
Fantasy is toch eigenlijk ook een soort archeologie, in die zin dat je een onontdekte beschaving langzaam blootlegt? 'Dat is een heel interessante vergelijking. Tijdens mijn studie ben ik als journalist begonnen. Daarna ben ik rollenspellen gaan schrijven en zo ben ik langzaam deze kant op gedreven. Ik had een interview met de Duitse fantasy-auteur Wolfgang Hohlbein en na afloop liet ik me ontvallen dat ik rondliep met een idee voor een boek. De serie Dragonlance was toen heel populair en ik wilde iets vergelijkbaars proberen. Vervolgens heeft hij me, binnen een week, in contact gebracht met zijn uitgever. Daar waren ze aanvankelijk wat sceptisch omdat ik op dat gebied weinig ervaring had, maar Hohlbein heeft zichzelf als het ware garant gesteld en me bij de eerste drie boeken ook terzijde gestaan. Vanaf dat moment was ik schrijver.'
Dat zijn dus de sleutelfiguren uit jouw leven: de gymleraar, Wolfgang Hohlbein en tot slot - bij De Elfen - James Sullivan. 'Klopt. Zo rond de tijd dat de eerste Lord of the Rings-film in de bioscoop draaide, verscheen De Orks van Michael Peinkofer. Van zijn eerste boek werden meteen 100.000 stuks verkocht, en dat was erg veel voor een fantasyboek waar niet de naam J.K. Rowling op stond. Vervolgens kreeg je Markus Heitz met zijn serie over De Dwergen, en toen zag ik mijn kans schoon. Ik had mijn hele leven al een fascinatie voor elfen en heb een idee voor een serie ingediend bij de uitgever. Op het moment dat ik eindelijk groen licht kreeg, moest ik binnen zeven maanden minstens 700 pagina's zien te schrijven. Terwijl ik óók nog met een ander boek bezig was. Toen heb ik James Sullivan ingeschakeld en hebben we het samen gedaan. Daardoor krijg je dat unieke element dat we het verhaal écht vanuit verschillende gezichtspunten vertellen.'
Was het niet lastig samen aan een boek te werken? Iedereen heeft toch zijn eigen schrijfstijl? 'De uitgever vertrouwde het ook niet helemaal en heeft vijf redacteuren op het boek gezet: vier vrouwen en één man. Probleem daarvan was dat ze allemaal een ander beeld hadden van wat elfen horen te zijn en doen. De een dacht aan de elfen uit Shakespeare, de ander aan Tolkien, nummer drie aan Ierse mythen en sagen en ga zo maar door. Dat werkte ook niet, dus er vielen steeds meer redacteuren af. Uiteindelijk leverden we een boek in van 900 pagina's en binnen een jaar tijd waren er zo'n 100.000 exemplaren van verkocht. Dat vormde het startsein voor de serie. De latere delen heb ik alleen geschreven, omdat James Sullivan onder zijn eigen naam verder wilde gaan. Maar hij krijgt nog steeds de helft van de royalty's van het eerste boek.'
Je had aanvankelijk geen idee dat het zo'n langlopende serie zou worden? 'Nee, daar had niemand op gerekend. Gelukkig hadden we gekozen voor een afwijkende structuur, met veel tijdsprongen, een horizon van duizend jaar en talloze gebeurtenissen die slechts zijdelings worden aangestipt. Dat schiep de mogelijkheid die gedetailleerder in te vullen in de latere delen. Het is geen serie die netjes een verhaal in chronologische volgorde vertelt. Het gaat in mijn boeken ook over veel meer dan alleen elfen. Als je gaat rekenen, kom je misschien uit op dertig procent. De rest van het verhaal is in handen van mensen, kobolden en andere volkeren. En die hebben allemaal natuurlijk een andere kijk op de gebeurtenissen. Er wordt wel eens tegen me gezegd: bij jou weten we nooit wie nou goed is en wie slecht. Nou, dat is precies mijn bedoeling.'
Verklaart die veelzijdigheid het succes? 'Je moet als schrijver voortdurend balanceren tussen wat lezers van jou verwachten en van het genre, én de grenzen die je zelf bewust probeert op te zoeken. Zo speelt high fantasy zich bijna altijd af in een soort middeleeuwse wereld. Bij de Elfenridders heb ik opzettelijk gekozen voor een wereld die vergelijkbaar is met de late renaissance. Voor sommige puristen - en je hebt verrassend veel conservatieve fantasy-fans - is dat te afwijkend en te modern. Terwijl het voor mij juist allerlei nieuwe mogelijkheden biedt. Zo heb ik bijvoorbeeld gebruikgemaakt van feiten uit de Tachtigjarige Oorlog. Sommige dingen zijn zelfs letterlijk zo gebeurd. Maar dat is tot op heden geen enkele lezer opgevallen. Mensen leggen die link zelf ook niet. Fantasy is immers compleet verzonnen en heeft in hun ogen niets te maken met wat er misschien ooit werkelijk heeft plaatsgevonden.'
Kritiek op fantasy is vaak: het is escapisme. 'Maar geldt dat niet voor ieder boek? Als het goed is, word je als lezer meegevoerd naar de plaats waarop en het tijdvak waarin het verhaal zich afspeelt. In Duitsland is het verkrampte onderscheid tussen literatuur en verstrooiing overigens een nog veel groter probleem. Wanneer mensen in je biografie lezen dat je gestudeerd hebt, nemen ze automatisch aan dat je die studie niet hebt afgemaakt. Anders word je toch geen fantasy-auteur?'
Wat heb jij persoonlijk toegevoegd aan de klassieke mythologie rondom elfen? 'We hebben de Ierse mythologie als basis genomen. Daar zitten fascinerende elementen in: mensen die in een heksenkring van paddestoelen gelokt worden en in één klap oud zijn. Of die zelf niet veranderen, maar terugkeren in een wereld die plotseling honderd jaar verder is. Verder hebben we allerlei losse elementen genomen en die samengesmeed tot één geheel. Het sterke is ook dat de elfen altijd hun eigen motieven hebben, hun eigen agenda. Het zijn niet zomaar mensen met puntoren. Veel lezers vinden de trollen ook sympathieker, omdat die zo straight zijn. Bij elfen weet je nooit helemaal waar je aan toe bent.'
Hoe bewaar je na al die boeken in hemelsnaam het overzicht? 'In totaal, met alles wat ook nog niet is gepubliceerd, heb ik meer dan 6000 bladzijden over elfen geschreven. Daarom heb ik, puur voor mezelf, een soort naslagwerk geschreven van inmiddels 180 pagina's waarin precies staat omschreven wie iedereen is en wat de loop der gebeurtenissen is. Anders zou ik al die 300 verschillende personen - want zoveel zijn het er inmiddels - natuurlijk niet meer uit elkaar kunnen houden. Temeer daar mijn volgende serie zich weer in een ander tijdperk afspeelt: de bronstijd. Het draait om dezelfde mythologie, maar geeft me tegelijk de mogelijkheid een frisse, nieuwe start te maken.'
Anders wordt het schrijven te veel lopendebandwerk? 'Iedereen weet dat Sir Conan Doyle zijn held Sherlock Holmes van een waterval in de diepte liet storten om van hem af te zijn. En Henning Mankell heeft zojuist de tiende en laatste Wallander geschreven. Al gaat het gerucht dat hij toch stiekem weer met een elfde boek bezig is. Ik snap het ook wel. Als lezer heb je bepaalde verwachtingen van een schrijver en wil je graag nog meer van zulke boeken. Dat heb ik zelf ook bij mijn favoriete auteurs. Dus geef ik ze met liefde nog zo'n boek, maar dan ietsje anders. Die vrijheid heb je nodig om het leuk en spannend te houden.'
|
|
|
 |