 |
|
|
|
 |
Auteur(s):
Marillier, Juliet
Oorspr. titel: Daughter of the Forest
Vertaling: Pauline Moody
pocket, 576 pag.
ISBN: 9789024553235
(Oude 10-cijferige ISBN: 9024553237 tot 1/1/07)
Prijs: €
8,98
|
Dochter van het woud van
Juliet Marillier
Drie kinderen lagen op de grote stenen langs de waterkant. Een donkerharig meisje. Twee jongens, iets ouder. Dit beeld is voorgoed in mijn geheugen vastgelegd, als een broos wezentje dat in barnsteen bewaard is gebleven. Ik en mijn broertjes. Ik herinner me hoe het water rimpelde wanneer ik mijn vingers over het glanzende oppervlak haalde. 'Niet zo ver vooroverbuigen, Sorcha,' zei Padriac. 'Anders val je er nog in.' Hij was een jaar ouder dan ik en buitte het beetje gezag dat hij daaraan ontleende ten volle uit. Dat was natuurlijk wel begrijpelijk. Er waren immers zes broers, en vijf daarvan waren ouder dan hij. Ik deed of ik hem niet hoorde en reikte met mijn hand naar de geheimzinnige diepten. 'Ze zou er best in kunnen vallen, hè Finbar?' Het bleef lang stil. Terwijl de stilte voortduurde, keken we allebei naar Finbar, die languit op zijn rug lag op de warme steen. Hij sliep niet; zijn ogen weerspiegelden het wijde grijs van de herfsthemel. Zijn haar lag als een woeste, zwarte warrige massa uitgespreid op de steen. Er zat een gat in de mouw van zijn jasje. 'De zwanen komen,' zei Finbar uiteindelijk. Hij ging langzaam rechtop zitten en liet zijn kin op zijn opgetrokken knieën rusten. 'Ze komen vanavond.' Achter hem deed een windje de takken van eiken, iepen, essen en vlieren bewegen zodat een menigte blaadjes in gouden, bronzen en bruine tinten door de lucht dwarrelde. Het meer lag binnen een ring van drie beboste heuvels, beschut als in een grote kelk. 'Hoe weet je dat nou?' vroeg Padriac. 'Hoe kun je dat zo zeker weten? Het zou ook morgen kunnen gebeuren, of overmorgen. Ze kunnen ook ergens anders naartoe gaan. Je weet alles altijd zo zeker.' Ik herinner me niet dat Finbar antwoord gaf, maar later die dag, toen het begon te schemeren, ging hij met mij terug naar de oever van het meer. In het halve licht dat over het water hing, zagen we de zwanen thuiskomen. De laatste, lage zonnestralen vielen op een witte beweging in de verduisterende hemel. Even later waren ze zo dichtbij dat we het patroon van hun vlucht konden zien, de ordelijke formatie die bij het laatste vage licht door de koele lucht neerdaalde. Het ruisen van vleugels, het vibreren van de lucht. De laatste glijvlucht naar het water, het zilverig opflitsen van het water dat zich opende om hen te ontvangen. Terwijl ze landden, maakten ze een geluid waarin ik mijn naam hoorde, telkens weer: Sorcha, Sorcha. Mijn hand kroop in die van Finbar; we bleven onbeweeglijk staan tot het helemaal donker was, en toen ging mijn broer met me naar huis. Als je het geluk hebt zo op te groeien als ik, heb je veel fijne dingen om aan terug te denken. En andere dingen die niet zo fijn zijn. Een keer in het voorjaar waren mijn broers en ik op zoek naar de groene kikkertjes die te voorschijn kwamen zodra de eerste warmte in de lucht was. We plasten tot onze knieën door de beek en maakten met zijn allen genoeg lawaai om elk beest op de vlucht te jagen. Drie van mijn zes broers waren erbij: Conor, die een oud wijsje floot; Cormack, zijn tweelingbroer, die hem van achteren besloop om een handvol waterplanten in zijn halsopening te laten glijden. Die twee jongens, rollend over de oever, worstelend en lachend. En Finbar. Finbar stond een eindje verderop langs de beek stil te wachten bij een poel tussen de rotsen. Hij tilde nooit stenen op om kikkers te zoeken; hij wachtte, en lokte ze te voorschijn door zijn stilzwijgen. Ik had een handvol wilde bloemen verzameld, viooltjes, geitenbaard en die roze bloempjes die we pinksterbloemen noemden. Onderaan bij de rand van het water zag ik een nieuwe plant met mooie, heel lichtgroene, stervormige bloemen, en bladeren als grijze veren. Ik klauterde erheen en stak mijn hand uit om er een te plukken. 'Sorcha! Niet aanraken!' snauwde Finbar. Ik keek geschrokken op. Finbar commandeerde me nooit. Als het Liam was geweest, mijn oudste broer, of Diarmid, die op hem volgde, had ik het wel kunnen verwachten. Finbar kwam snel naar me toe, zonder nog aan de kikkers te denken. Maar waarom zou ik naar hem luisteren? Zoveel ouder was hij niet, en het was gewoon een bloem. Ik hoorde hem nog zeggen: 'Sorcha, niet doen,' -- maar mijn kleine vingers plukten al een van de zacht uitziende stengels af. De pijn in mijn hand was als vuur -- een witgloeiende pijn, waardoor ik met vertrokken gezicht en brullend langs het pad wegrende, terwijl ik mijn gevallen bloemen vertrapte. Finbar hield me tamelijk hardhandig tegen door zijn handen op mijn schouders te leggen. 'Sterrenkruid,' zei hij, terwijl hij mijn hand bekeek, die begon op te zwellen en akelig rood te worden. Intussen waren de tweelingen aan komen hollen door mijn gekrijs. Cormack hield me vast, want hij was sterk, en ik huilde en sloeg wild om me heen van de pijn. Conor scheurde een reep van zijn vuile hemd. Finbar had twee puntige takjes gevonden en hiermee begon hij een voor een de kleine, naaldachtige stekels uit te trekken die in mijn zachte huid waren blijven zitten. Ik herinner me de druk van Cormacks handen op mijn armen, terwijl ik tussen de snikken door hijgend ademhaalde, en ik kan Conor nog horen praten; hij praatte op rustige toon terwijl Finbars lange, behendige vingers hun werk deden. '... en haar naam was Deirdre, Vrouwe van het Woud, maar niemand kreeg haar ooit te zien; maar als je 's avonds laat over de paden onder de berken liep, kreeg je soms een glimp te zien van haar lange gestalte in een donkerblauwe mantel, en haar lange haar, wild en donker, dat achter haar aan zwierde, en haar kroontje van sterren...' Toen het gebeurd was, verbonden ze mijn hand met Conors geïmproviseerde verband en wat gekneusde bloemblaadjes van goudsbloemen, en de volgende morgen was het over. En ze zeiden er niets over tegen mijn oudste broers, toen die thuiskwamen; ze zeiden niet hoe dom ik was geweest. Van dat moment af wist ik wat sterrenkruid was, en ik begon mezelf te leren welke andere planten er waren, die pijn konden doen of juist konden genezen. Een kind dat half wild in het bos opgroeit, leert de geheime dingen die daar groeien op een vanzelfsprekende manier kennen. Paddestoelen en boleten. Korstmos, mos en klimplant. Blad, bloem, wortel en bast. In het oneindige domein van het bos groeiden verscholen onder de grote eik, de sterke es en de soepele berk duizenden kleine dingen. Ik leerde waar ik ze kon vinden, wanneer ik ze moest plukken, hoe ik ze kon gebruiken in zalven, balsems of dranken. Daar was ik nog niet tevreden mee. Ik praatte met de oude vrouwen in hun huisjes tot het hun ging vervelen, en ik las alle handgeschreven documenten die ik kon vinden, en probeerde ook zelf dingen uit. Er viel altijd meer te leren, en er was altijd genoeg te doen. Wanneer was dit begonnen? Toen mijn vader mijn moeder leerde kennen, zijn hart verloor en voor een huwelijk uit liefde koos? Of begon het toen ik geboren werd? Ik had de zevende zoon van een zevende zoon moeten zijn, maar de godin haalde een grapje uit, en ik was een meisje. En nadat ze mij op de wereld had gezet, stierf mijn moeder. Het was niet zo dat mijn vader zich aan zijn verdriet overgaf. Daar was hij te sterk voor, maar toen hij haar verloor, ging er in hem een licht uit. Hij hield zich alleen nog bezig met raadsvergaderingen en machtsspelen, en dingen regelen achter gesloten deuren. Dat was alles wat hem interesseerde, meer zag hij niet. En zo groeiden mijn broers verwaarloosd op, zwervend door de bossen rond de burcht van Zeven Wateren. Ik was dan misschien niet de zevende zoon uit de oude verhalen, degene die magische krachten zou bezitten en in de gunst zou staan bij het Feeënvolk, maar ik sloot me toch maar aan bij de jongens, en ze waren lief voor me en voedden me zo goed op als een stel jongens een meisje kunnen opvoeden. Ons huis dankte zijn naam aan de zeven beken die van de heuvels in het grote, met bomen omringde meer stroomden. Het was een afgelegen, stil en vreemd kasteel, goed bewaakt door zwijgende mannen die in grijze kleding door de bossen slopen, en die zorgden dat hun wapens scherp geslepen waren. Mijn vader nam geen enkel risico. Mijn vader was heer Colum van Zeven Wateren, en zijn túath was de sterkste, en de meest geheime aan deze kant van Tara. Allen respecteerden hem. Velen vreesden hem. Buiten het bos was het nergens echt veilig. Stamhoofd voerde oorlog tegen stamhoofd, koning tegen koning. Ook werden er invallen gedaan vanaf de overzijde van het water. Christelijke oorden van geleerdheid en contemplatie werden geplunderd, en hun vreedzame bewoners werden gedood of verjaagd. Soms namen de heilige broeders uit wanhoop zelf de wapenen op. Het oude geloof ging ondergronds. De Noormannen kwamen onze kusten opeisen, en in Dublin vestigden ze een scheepskamp waar ze begonnen te overwinteren, zodat het het hele jaar rond onveilig bleef. Zelfs ik had gezien wat ze gedaan hadden, want er was een ruïne bij Killevy, waar plunderaars de heilige vrouwen hadden gedood en hun heiligdom hadden verwoest. Ik ben er maar een keer heen gegaan. Er hing een donkere schaduw over die plaats. Als je tussen de gevallen stenen doorliep, kon je de echo van hun gegil nog horen. Maar mijn vader was anders. Het gezag van heer Colum was onaantastbaar. Binnen de ring van heuvels, bedekt met oeroude bossen, waren zijn grenzen ongeveer zo veilig als grenzen in deze woelige tijden maar konden zijn. Voor wie het bos niet respecteerde, en het niet begreep, was het ondoordringbaar. Een man, of een groep mannen die de weg niet kende, zou er hopeloos verdwalen; ten prooi vallen aan plotselinge mist, de zich splitsende, bedrieglijke paden, en aan andere, oudere dingen, dingen die een viking of een Brit vanzelfsprekend niet begreep. Het bos beschermde ons. Ons gebied was gevrijwaard voor plunderaars, of dit nu invallers van overzee waren of buren die graag een paar bunders grasland of een paar stuks mooi vee aan hun bezittingen wilden toevoegen. Ze vreesden Zeven Wateren, en gingen ons uit de weg. Maar we hoorden vader zelden praten over de Noormannen of de Picten, want wij hadden onze eigen oorlog. Wij waren in oorlog met de Britten. We waren met name in oorlog met één Britse familie, die bekend was als de Northwoods. Deze vete ging ver terug. Ik had er weinig belangstelling voor. Ik was tenslotte een meisje, en ik kon mijn tijd wel beter gebruiken. Bovendien had ik nog nooit een Brit, een Noorman of een Pict gezien. Ze waren minder reëel voor mij dan schepsels uit een oud verhaal, draken of reuzen. Vader was meestentijds weg; hij sloot bondgenootschappen met buren, controleerde zijn buitenposten en wachttorens, en wierf mannen. Ik vond het wel zo prettig als hij er niet was; dan konden we onze dagen zo doorbrengen als we wilden, door de bossen rondzwerven, in de hoge eiken klimmen, tochten over het meer maken en als we wilden de hele nacht wegblijven. Ik leerde waar bramen, hazelnoten en wilde appeltjes te vinden waren. Ik leerde hoe je een vuur maakte, ook met vochtig hout, en hoe je pompoenen of uien in de houtskool gaar maakte. Ik kon een waterdichte hut maken van varens, en een vlot recht door het water sturen. Ik vond het heerlijk om buiten te zijn en de wind in mijn gezicht te voelen. Toch bleef ik mezelf de kunst van het genezen aanleren, want ik wist vanbinnen dat dit mijn eigenlijke werk zou zijn. We konden allemaal lezen, hoewel Conor daar verreweg het beste in was, en er waren oude manuscripten en beschreven rollen die ergens op een bovenverdieping van het stenen fort dat ons huis was, waren weggestopt. Ik verslond ze in mijn dorst naar kennis en vond het helemaal niet vreemd, want dit was de enige wereld die ik ooit gekend had. Ik wist niet dat andere meisjes van twaalf mooi borduurwerk leerden maken, en dat ze leerden elkanders haar tot ingewikkelde kroontjes te vlechten, en dat ze dansles en zangles kregen. Ik had ook niet door dat maar weinig mensen konden lezen, en dat de boeken en papierrollen die de stille kamer boven vulden, een oneindig kostbare schat vormden in een tijd van verwoesting en plundering. Veilig ingebed tussen de bomen die het bewaakten en afgeschermd van de wereld door krachten, ouder dan de tijd, was ons huis beslist iets heel bijzonders. Wanneer mijn vader thuis was, ging het anders toe. Niet dat hij veel belangstelling voor ons toonde; hij was maar kort thuis, en zijn tijd werd besteed aan besprekingen en vergaderingen. Maar hij ging wel kijken naar de jongens, als ze oefenden met zwaard of staf of bijlwerpen terwijl ze te paard galoppeerden en wendden. Je wist nooit wat vader dacht, want zijn blik verried niets. Hij was een stevig gebouwde man met een streng uiterlijk, en alles aan hem straalde discipline uit. Hij kleedde zich eenvoudig, maar er was toch iets aan hem waaraan je onmiddellijk zag dat hij een leider was. Hij droeg zijn bruine haar strak bijeengebonden in een staart. Waar hij ook ging, van zaal tot binnenplaats, van slaapvertrekken tot stallen, stapten zijn twee grote wolfshonden zwijgend achter hem aan. Dat was zijn enige zwak, denk ik. Maar zelfs die honden dienden een doel. Elke keer dat hij thuiskwam, maakte hij er een ware ceremonie van ons allemaal te begroeten en te informeren naar onze vorderingen, alsof we een of ander gewas waren dat uiteindelijk geschikt zou zijn om geoogst te worden. Wij hadden een gruwelijke hekel aan dit rituele vertoon van familie-identiteit, hoewel het voor de jongens gemakkelijker werd toen ze de jongelingsleeftijd hadden bereikt en vader hen begon te zien als mannen die hem van nut konden zijn. We werden altijd bijeengeroepen in de grote zaal, nadat we eerst snel toonbaar waren gemaakt door de bediende die op dat moment belast was met de ondankbare taak, toezicht op ons te houden. Vader zat dan in zijn grote, eikenhouten zetel, zijn mannen op eerbiedige afstand om hem heen, en de honden aan zijn voeten, ontspannen maar waakzaam. Dan riep hij de jongens een voor een naar voren en begroette hen tamelijk vriendelijk, waarbij hij begon met Liam en vervolgens de rij afwerkte. Hij ondervroeg elk van hen kort over zijn vorderingen en activiteiten sinds de vorige keer. Dit kon vrij lang duren; er waren immers zes jongens, en dan kwam ik nog. Omdat ik niets wist van andere vormen van ouderlijke begeleiding, accepteerde ik dit als de manier waarop het nu eenmaal ging. Als mijn broers zich al een tijd herinnerden dat alles anders was, praatten ze daar niet over. De jongens groeiden snel op. Tegen de tijd dat Liam twaalf jaar was, werd hij al intensief opgeleid in de vele vormen van krijgskunst, en had hij steeds minder tijd om met ons anderen mee te doen in onze vrolijke, ongedisciplineerde wereld. Niet lang daarna mocht Diarmid, vanwege zijn uitzonderlijke vaardigheid met de speer, zijn plaats naast zijn broer innemen, en het duurde niet lang of beiden reden mee uit in vaders krijgsbende. Cormack zag reikhalzend uit naar de dag dat hij oud genoeg zou zijn om in ernst aan deze ondernemingen mee te doen; de training die alle jongens van vaders meester in de krijgskunst ontvingen was niet genoeg om zijn zucht naar uitblinken te bevredigen. Padriac, de jongste van de jongens, kon goed met dieren omgaan en had er slag van kapotte dingen te repareren. Ook hij leerde paardrijden en het zwaard hanteren, maar vaak was hij te vinden bij een koe die moest kalveren, of verzorgde hij een prijsstier die door een rivaal was verwond. De rest van ons kinderen was anders. Conor was de tweelingbroer van Cormack, maar het verschil in temperament tussen die twee was enorm. Conor had altijd van leren gehouden, en had al op heel jonge leeftijd een overeenkomst gesloten met een christelijke kluizenaar die in een grot leefde in de helling van de zuidelijke meeroever. Mijn broer bracht pater Brien verse vis en kruiden uit de tuin, en soms ook een paar broden die hij bij de keuken had afgetroggeld, en in ruil werd hem lezen geleerd. Ik herinner me dat heel duidelijk. Conor zat op een houten bank naast de kluizenaar heftig te debatteren over een of ander taalkundig of filosofisch detail, terwijl Finbar en ikzelf muisstil in kleermakerszit in een hoek op de aarden vloer zaten. Alle drie namen we als kleine sponzen de kennis in ons op, en door onze geïsoleerde toestand dachten we dat dit heel gewoon was. We leerden bijvoorbeeld de taal van de Britten, een scherp, afgebeten soort taal zonder muziek erin. En terwijl we de taal van onze vijanden leerden, kregen we ook hun geschiedenis te horen. Eens waren zij een volk geweest zoals wij, woest, trots en rijk aan liederen en verhalen, maar hun land was open en kwetsbaar, en was keer op keer onder de voet gelopen, tot hun bloed vermengd raakte met dat van de Romeinen en de Saksen, en toen er uiteindelijk een soort vrede tot stand was gekomen, was de oude bevolking van dat land verdwenen, en woonde er in plaats daarvan een nieuw volk aan de overkant van het water. Dit vertelde ons de heilige kluizenaar. Iedereen had wel een verhaal over de Britten. Ze waren te herkennen aan hun blonde haar en hun lichaamslengte, en ze waren de vete begonnen door zich meester te maken van iets dat voor ons volk zo onaantastbaar, zo heilig was, dat de diefstal hiervan betekende dat we het gevoel hadden dat het hart uit ons lichaam was gerukt. Dat was de oorzaak van onze oorlog. Het Kleine Eiland, het Grote Eiland en de Naald. Plaatsen van het opperste mysterie. Plaatsen van het diepste geheim; het hart van het oude geloof. Geen Brit had ooit op de Eilanden voet aan wal mogen zetten. Het zou nooit meer goed komen tot we hen verdreven. Zo werd het door iedereen verteld.
|
|
 |