Zoeken
Geef zoekterm op:
Zoek!
Elfen 1 - De Elfen

Auteur(s): Hennen, Bernhard
Oorspr. titel: Die Elfen
Vertaling: Olga Groenewoud
paperback, 608 pag.
ISBN: 9789024524334
(Oude 10-cijferige ISBN: tot 1/1/07)
Prijs: € 19,95
Uitgegeven in: 2008



Een fragment uit

Elfen 1 - De Elfen van Bernhard Hennen
In het bos was het stil.
Nuramon vond sporen van de wolven en van de elfen, langs de bosrand. Sporen van een gevecht of iets dergelijks waren er niet. Toen hij zijn metgezellen zijn bevindingen had meegedeeld, wierp Farodin hem en Mandred allebei een barijnsteen toe. De stenen waren helder en verspreidden een wit licht.
            Zodra ze diep vanuit het bos een luid gehuil hoorden, gingen ze op pad. Steeds weer riepen ze de namen van Vanna en Liyema, maar antwoord kwam er niet.
            Na enige tijd vonden ze een bloedspoor. Dat volgden ze. De wolven, en kennelijk ook Vanna en Liyema, hadden vóór hen het spoor gevolgd. Even later stuitten ze op een dode wolf; zijn keel was verscheurd. Verontrust gingen ze verder. Om de paar stappen vonden ze nieuwe bloeddruppels.
            Het gehuil was nog altijd te horen. Ineens zagen ze tussen de bomen de witte wolven heen en weer springen. Er was een schaduw waarop ze het hadden voorzien. Een gigantische gestalte! Hij sloeg wild om zich heen. Het gehuil ging over in een door pijn verstikt gejank. Toen klonk de gil van een vrouw.
            Nuramon, Farodin en Mandred bereikten tegelijk een open plek. Het schijnsel van hun barijnstenen verdreef de duisternis. Ze zagen hoe de wolven een grote, in elkaar gedoken gestalte achternazaten en in het bos verdwenen.
            Nuramons licht bescheen midden op de open plek Vanna de tovenares. 'Kom terug! Geen tijd voor wraak!' schreeuwde ze de wolven na. 'Kom terug!' Maar ze luisterden niet naar haar. Ze viel op haar knieën en boog zich over iets heen.
            Mandred en Farodin waren meteen bij haar. Nuramon waagde zich maar langzaam dichterbij, gespannen om zich heen kijkend. Er lagen drie wolven dood op de open plek, ook de aanvoerder. Er stak iets in zijn rug. Nuramon merkte een prikkende geur in de lucht op. Het was de stank die hij ook bij Aigilaos had opgemerkt. Dat moest de uitwaseming van het beest zijn.
            Toen Nuramon bij zijn metgezellen kwam, zag hij in het schijnsel van de barijnsteen dat Vanna zich over Liyema heen boog. Nuramon zag dat de borst van de wolfsmoeder verscheurd was toen Vanna overeind ging zitten. Iets had haar lichaam doorboord en haar longen en hart verscheurd. Haar ogen glansden nog, maar haar gezicht was verstard tot een verbaasd masker.
            Vanna drukte haar wang liefdevol tegen die van de dode vrouw.
            'Wat is er gebeurd?' vroeg Farodin.
            Vanna zweeg.
            Farodin greep haar bij haar schouders en schudde haar zachtjes door elkaar. 'Vanna!'
            Met grote ogen leek ze dwars door Farodin heen te kijken. Ze wees opzij. 'Daar achter die boom ligt Brandan. De ever heeft hem…' Haar stem brak.
            Meteen rende Nuramon weg. Hij wilde zo snel mogelijk bij Brandan zijn. Hij was bang: hij moest aan Aigilaos denken.
            Tussen Mandred en Farodin laaide ruzie op. De mensenzoon wilde het beest achterna gaan, Farodin wilde daar niet van weten. Hoe konden ze daar op dit moment over gaan vechten, vroeg Nuramon zich af. Misschien leefde Brandan nog!
            Hij bereikte de bosrand en vond de spoorzoeker meteen. Hij lag op zijn rug en had lichte verwondingen aan zijn slaap en zijn been. Hij was weliswaar bewusteloos, maar zijn hart sloeg nog en hij ademde langzaam. Nuramon legde zijn genezende handen op de been- en hoofdwond. Hij voelde het gekriebel opkomen, gevolgd door de pijn. Ten slotte vormden de wonden onder zijn vingers een korst. Dat moest voorlopig genoeg zijn. Later zou hij Brandan helemaal genezen.
            Met moeite nam Nuramon hem in zijn armen om terug naar de anderen te gaan. Zijn voeten zakten onder de zware last die hij droeg diep weg in de sneeuw.
            Hij hoorde Farodin geduldig op Mandred inpraten. 'Het beest speelt met ons. We mogen ons nu niet laten meesleuren in een onbezonnen actie. Laten we tot morgen wachten om jacht op het beest te maken!'
            'Zoals je wilt.' Mandred ging met tegenzin akkoord.
            Toen ze hem opmerkten, zag hij de angst in hun ogen. Ze liepen hem tegemoet.
            'Is hij…?' begon Mandred.
            'Nee, hij leeft nog. Maar we moeten hem naar het kamp overbrengen.'
            Zwijgend verlieten ze de open plek.
            Het was een moeizame weg terug naar het kamp. Mandred sleepte de gewonde mee, terwijl Farodin en Nuramon het lijk droegen. Vanna kwam achteraan. De dode wolven lieten ze achter. Onderweg probeerde Mandred Brandan uit zijn bewusteloosheid te halen, maar hij was te ver heen.
            In het kamp aangekomen bekommerde Farodin zich om Liyema: hij wikkelde haar lichaam in een mantel. Mandred en Vanna zaten bij het vuur,  luisterend naar de geluiden van het bos. Nuramon keek naar hen terwijl hij Brandans hoofd in zijn handen liet rusten, dat zijn toverkracht opnam. De houding van de mensenzoon en de tovenares sprak boekdelen. Twee leden van de elfenjacht waren gestorven en hun wolven waren ofwel dood ofwel verdwenen.
            Nuramon keek naar de maan. Zijn oma was waarzegster geweest. De maan was slechts voor de helft te zien en was veel kleiner dan in Alfenmark. Weer herinnerde hij zich zijn gesprek met Noroëlle. Wat zou er gebeuren als hij in het mensenrijk stierf? Hij kon alleen maar hopen dat Liyema herboren zou worden. Hij wist niet hoe het met de centaur zat. Van veel alfenkinderen werd gezegd dat ze met de dood rechtstreeks naar het maanlicht gingen. Hij hoopte dat de zielen van hun dode metgezellen niet verloren waren…







All Rights Reserved 2006 Luitingh